Heupdysplasie
Heupdysplasie, meestal afgekort als HD, is een orthopedische aandoening die ook bij katten voorkomt. De term betekent letterlijk dat het heupgewricht zich niet op een normale manier ontwikkelt. Bij een gezond heupgewricht sluiten de heupkop en de heupkom goed op elkaar aan en bewegen ze soepel ten opzichte van elkaar. Bij heupdysplasie is deze aansluiting minder optimaal, waardoor er meer speling in het gewricht kan ontstaan.
De ernst van heupdysplasie kan sterk verschillen van kat tot kat. Sommige katten vertonen nauwelijks klachten, terwijl andere dieren pijn, stijfheid, minder bewegingslust of kreupelheid kunnen ontwikkelen. Naarmate de kat ouder wordt, kan een minder goed gevormd of instabiel heupgewricht bovendien aanleiding geven tot slijtage van het gewricht. Daarom is heupdysplasie niet alleen belangrijk vanuit klinisch oogpunt, maar ook binnen de kattenfokkerij, waar onderzoek van de heupgewrichten kan bijdragen aan een verantwoorde selectie van fokdieren.
Doofheid
Cochleaire doofheid, ook wel congenitale of aangeboren doofheid genoemd, komt relatief vaak voor bij witte katten. Dit hangt samen met het dominante W-gen, dat de pigmentvorming onderdrukt en ook een invloed kan hebben op de ontwikkeling van het binnenoor. Vooral witte katten met blauwe ogen hebben een verhoogd risico op aangeboren doofheid.
De aandoening ontstaat door degeneratie van structuren die instaan voor de bloedvoorziening van het binnenoor. Dit proces begint doorgaans kort na de geboorte en kan leiden tot beschadiging van het slakkenhuis, waardoor het gehoor gedeeltelijk of volledig verloren gaat. De doofheid kan één oor of beide oren treffen.
HCM
Hypertrofische cardiomyopathie (HCM) is een hartaandoening waarbij de hartspier, vooral ter hoogte van de linkerhartkamer, abnormaal verdikt. Hierdoor kan het hart zich minder goed ontspannen en vullen met bloed. De ernst van HCM verschilt sterk van kat tot kat: sommige dieren blijven lange tijd zonder duidelijke klachten, terwijl andere katten ademhalingsproblemen, vermoeidheid of hartfalen kunnen ontwikkelen. Bij bepaalde kattenrassen speelt erfelijke aanleg een belangrijke rol. Daarom kan hartonderzoek, meestal met echocardiografie, van belang zijn binnen de fokkerij. Regelmatige controle van fokdieren helpt om het risico op het doorgeven van de aandoening zoveel mogelijk te beperken.
PKD
Polycystic Kidney Disease (PKD) is een erfelijke nieraandoening waarbij zich in de nieren meerdere met vocht gevulde cysten ontwikkelen. Deze cysten kunnen in de loop van de tijd groter en talrijker worden en daardoor het normale nierweefsel aantasten. Sommige katten vertonen lange tijd weinig of geen klachten, terwijl andere dieren uiteindelijk tekenen van chronische nierinsufficiëntie kunnen ontwikkelen, zoals meer drinken en plassen, vermageren en een verminderde eetlust. PKD is vooral bekend bij bepaalde kattenrassen en kan via een DNA-test worden opgespoord. Binnen de fokkerij is genetische screening daarom een belangrijk hulpmiddel om te voorkomen dat de aandoening verder wordt doorgegeven.
Patellaluxatie
Patellaluxatie komt ook bij katten voor en ontstaat wanneer de knieschijf zich gedeeltelijk of volledig uit haar normale positie verplaatst. De aandoening kan aangeboren zijn of zich tijdens de groei ontwikkelen en wordt bij sommige kattenrassen vaker gezien. De ernst varieert sterk: sommige katten vertonen nauwelijks klachten, terwijl andere dieren manken, minder springen of pijn hebben bij bewegen. De diagnose gebeurt meestal door een klinisch orthopedisch onderzoek, waarbij de stabiliteit van de knieschijf wordt beoordeeld. Binnen de fokkerij kan onderzoek naar patellaluxatie daarom bijdragen aan een verantwoorde selectie van fokdieren.
DNA-testen
DNA-onderzoek bij katten maakt het mogelijk om bepaalde erfelijke kenmerken en genetische aandoeningen op te sporen. Met een DNA-test kan worden vastgesteld of een kat vrij is van een bepaalde mutatie, drager is of genetisch belast is met een aandoening. Bij recessieve aandoeningen zijn dragers meestal zelf niet ziek, maar kunnen zij de mutatie wel doorgeven aan hun nakomelingen. DNA-onderzoek is daarom een belangrijk hulpmiddel binnen de kattenfokkerij. Door testresultaten op een verantwoorde manier te gebruiken, kunnen risicovolle combinaties worden vermeden zonder onnodig genetische diversiteit uit de populatie te verliezen.